Vertrouwen in de arts Bron: RVZ, 28 mei 2007
Vertrouwen in de arts is niet vanzelfsprekend, maar moet verdiend worden. Dat zegt de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) in zijn advies Vertrouwen in de arts, dat op 29 mei 2007 is uitgebracht aan minister Klink van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De beroepsgroep kan het nodige doen aan het vertrouwen in artsen: een integriteitscode maken, belangenbehartiging scheiden van kwaliteitsbevordering, kwaliteit zichtbaar maken, niet goed functionerende artsen tijdig corrigeren, beter samenwerken met andere professionals.

Een integriteitscode kan duidelijk maken hoe artsen om moeten gaan met financiële prikkels en bijzondere beloningen van bijvoorbeeld verzekeraars en farmaceutische bedrijven. Dat is belangrijk. De patiënt moet ervan op aan moet kunnen dat de dokter iets voorschrijft omdat het goed voor hem is en niet omdat hij er extra aan verdient. Om die zelfde reden zou het goed zijn als artsen de organisatie van hun belangenbehartiging scheiden van de behartiging van hun professionele kwaliteit. Verder moet de medische professie een eind maken aan het vrijblijvende karakter van haar interne kwaliteitsbeleid. Patiënten, verzekeraars en ziekenhuizen willen zicht krijgen op de kwaliteit van hun artsen. Functioneringsgesprekken moeten niet vrijblijvend zijn, maar ook consequenties krijgen, zowel in positieve als negatieve zin, voor het uurtarief, het toelatingscontract en de herregistratie. De beroepsgroep moet bijvoorbeeld zorgen voor een goede naleving van haar eigen richtlijnen en standaarden. Verder schort het vooral aan samenwerking met andere professionals. Over ieders taken en verantwoordelijkheden moeten schriftelijke afspraken worden gemaakt, die voor patiënten zijn in te zien en te controleren.

In het nieuwe zorgstelsel zijn zakelijke belangen van zorginstellingen, verzekeraars en zorgverleners een prominentere plaats gaan innemen. De RVZ heeft op verzoek van de minister van VWS onderzocht of artsen met deze belangen rekening kunnen houden, zonder dat het belang van de individuele patiëntenzorg en het vertrouwen van de bevolking daaronder te lijden hebben. Uit een in opdracht van de RVZ en de artsenorganisatie KNMG uitgevoerde enquête blijkt dat de patiënt voor de Nederlandse arts op de eerste plaats komt. Hij wil zijn kennis en kunde voor zijn patiënten kunnen inzetten. En daarom wil hij zelf kunnen beslissen over de diagnose en behandeling van zijn patiënten. Uiteraard samen met de patiënt en rekening houdend met de belangen van anderen, maar wel op eigen verantwoordelijkheid. De RVZ noemt dat vakinhoudelijke autonomie. Hij constateert dat, voorzover het aan de arts ligt, het vooralsnog daarmee goed is gesteld. Alle betrokkenen - ziekenhuisdirecties, verzekeraars, overheid - onderkennen het belang van de vakinhoudelijke autonomie van de arts, maar kaderen die wel steeds meer in. Dat brengt het risico met zich mee dat de arts zijn vrijheid van handelen toch verliest. Daar moeten partijen alert op blijven.

De RVZ vindt het niet alleen een verantwoordelijkheid van de beroepsgroep zelf om dat risico in de gaten te houden. Ook de overheid en de andere partijen - verzekeraars, instellingen en patiëntenorganisaties - kunnen het nodige doen. Bijvoorbeeld door mee te werken aan het opstellen van richtlijnen en standaarden en door ervoor te zorgen dat alles wat conform richtlijnen en standaarden wordt gedaan, ook door de verzekeraar wordt vergoed. In het bijzonder geldt dit voor dure genees- en hulpmiddelen. De RVZ is voorstander van strikte afspraken over hun toepassing, maar ook – in tegenstelling tot de bestaande regeling - van een kostendekkende vergoeding. Daardoor kan worden voorkomen dat het geneesmiddelen beleid per ziekenhuis verschilt.